De Banden met Oranje

‘Tallooze, tallooze harten sloegen sneller’

Juliana trouwt, 7 januari 1937

Grote of 's Jacobskerk, 07-01-1937

Oranjebloesem op de omslag van een herdenkingsboek

‘Zij reden door een Bruidsstad. Een droom, een sprookje, een stad in kleur en fleur, in bonten bloementooi, een lichtstad, een stad in blauw en in goud, en gehuld in wapperende vlaggen.’

De schrijver D. Hans was ooggetuige van het huwelijk van prinses Juliana en prins Bernhard op 7 januari 1937 in Den Haag. En hij legde zijn bevindingen in hetzelfde jaar vast in het kostelijke boekje: ‘Het Bruidspaar in de Gouden Koets’.

Het leuke van schrijver Hans is dat hij niet volstaat met de gebruikelijke loftuitingen op de kennelijk boven alle aardsheid verheven Oranjes, maar dat hij ook gewoon beschrijvingen geeft van kleding en juwelen.

Hij moet een goede journalist zijn geweest, die aanvoelde wat de mensen bezighield. Want natuurlijk was ook toen De Vraag: Wat draagt de bruid? Of eigenlijk: ‘Wat droeg de bruid’. Er was nog geen televisie, foto en film waren nog verre van perfect en opnamen in kleur waren er nauwelijks.

De vraag speelde al een tijdje. Anno nu is het slagveld tussen pers en de couturier die de bruidsjurk mag maken, deel van de folklore van een koninklijk huwelijk. Maar in 1937 was dat nog nooit vertoond. Maison Kühne in Den Haag dat De Japon in 1937 vervaardigde, moet wat dat betreft beslist de Nederlandse première hebben meegemaakt. Met alle vreemde stellages vol fotografen van dien en de nu geijkte pogingen tot omkoping en het belagen van de werknemers van het atelier.

Onvoorstelbaar

Maison Kühne, december 1936

Avondmode 1935

Even onvoorstelbaar voor ons (en ook nooit meer vertoond trouwens) is echter het antwoord van het hof destijds. Een  maand voor het huwelijk, N.B. op sinterklaasdag 1936, werd een persfotograaf op het atelier aan de Kneuterdijk uitgenodigd om opnamen in het atelier te maken.

Zodat we nu beschikken over unieke foto’s van nijvere naaisters die zich vol respect en trots buigen over een stof, waar alleen sprookjesjurken van gemaakt worden: ivoorkleurige satijn.

Satin ivoire heet het destijds, want Frans was toen nog steeds very much de hoftaal.

Al vrij snel is hier ooit het woord ‘peplum’ aan toegevoegd. Zodat we nu vaak (en al bij D. Hans) kunnen lezen dat Juliana’s trouwjurk was gemaakt van ‘Satin Ivoire Peplum’. Het klinkt als een driedubbele toverspreuk. Maar het is onzin. ‘Peplum’slaat op het model van de jurk: recht en met een plooival die is ontleend aan de mode van het oude Griekenland, een paar honderd jaar voor Christus.

Isadora Duncan

Isadora Duncan

Deze mode was in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw populair gemaakt door de danseres Isadora Duncan. Zij was een inspiratiebron voor al die (jonge) vrouwen die vraagtekens zetten bij hun Victoriaanse opvoeding met zijn preutsheid en rolpatronen. Isadora propageerde vrijheid voor vrouwen op alle fronten, te beginnen met letterlijk en figuurlijk bewegingsvrijheid.

Daarom danste Isadora in gewaden die dat optimaal mogelijk maakten. Het waren ‘Delphos’-japonnen, waarop de geniale van oorsprong Spaanse ontwerper Mario Fortuny (1871-1949) het patent had. ‘Column-dresses’ heten ze in het Engels: op het eerste gezicht kokerjaponnen, maar ze waren zeer ruim, door de geraffineerde, ruime plooien.

Juliana’s bruidsjurk was aldus een regelrecht statement, maar wel diplomatiek verpakt in de joyeuze mode van de jaren dertig.

De prinses die een actief aandeel had in het ontwerp van de japon voerde het Griekse thema ook door in de kleding van de bruidsmeisjes. De groepsfoto op de trap van Huis ten Bosch is bijna een tableau de la troupe.

D. Hans schrijft hierover:

Huis Ten Bosch

‘Wat de japonnen der 12 bruidsmeisjes betreft, en waarvan het model hetzelfde idee als de bruidsjapon weergaf, deze waren bij twee tegelijk in fijne zijden crêpe, in een der pasteltinten lila, bleu,groen, geel, oranje, rose, vervaardigd. Deze zachte tinten, die op treffende wijze de kleuren van den regenboog weergaven, maakten een ongemeen fraai effect, hetgeen nog geaccentueerd werd door de fluweelen coiffures en ceintuurs, welke in eenzelfde kleurengamma, doch in donkerder tinten en die in fluweel zoo warm aandoen, gehouden werden.

Hun bouquetten waren van rosekleurige anjers, waaraan linten van fluweel in de kleur van de japon van het betreffende bruidsmeisje.

Ook de zijden schoentjes waren in de donkere tinten, terwijl de lange handschoenen als aansluitend aan de japon in de pasteltinten waren gehouden.’

Multi-religieus

Volgens de oudtestamentische overlevering staat de regenboog voor goddelijke trouw. In de Griekse mythologie is de regenboog het symbool van de godin Iris, die boodschappen van de goden overbrengt aan de mensen. Hoe je het ook wendt of keert: al op Juliana’s trouwdag waren hemel en aarde met elkaar verbonden in een multi-religieus concept.

De bruidskrans: oranjebloesem en diamanten rozen

Uiteraard waren er ook aardser symbolen in de kleding van de bruid verwerkt, veel volgens oude hoftradities. Zo was in de bruidskrans (de hoofdtooi van de bruid) oranjebloesem (is witte bloesem) verwerkt: een geliefd zinnebeeld bij trouwerijen, omdat de oranjeboom tegelijkertijd bloeit en vrucht draagt. Bij de Oranjes mocht hij uiteraard sowieso niet ontbreken.

Koningin Beatrix: diamanten rozen als broches

De wilde roos in het wapen van Lippe was bij uitstek geschikt voor de hommage van bruid Juliana aan haar aanstaande. De roos kwam  (in Parijs) in zilverdraad geborduurd terug in de sluier.

Het koninklijk juwelenbezit voorzag  in diamanten rozen: erfstukjes van koningin Emma, die ze in 1888 van haar man Willem III had gekregen. Juliana liet ze in haar bruidskrans verwerken. Ook later zou ze de rozen vaak in haar haar dragen, zoals ze trouwens al vóór haar huwelijk had gedaan. Koningin Beatrix draagt ze nóg, meestal als broches op haar kleding.

Vrije hand

Prinses Juliana kreeg destijds kennelijk verregaand de vrije hand bij de regie van haar dag. In haar boek ‘Eenzaam maar niet alleen’ schrijft koningin Wilhelmina hierover: ‘Wat de bruiloft en de daarbij behorende feesten betreft, was het mijn wens af te wijken van het daarbij meesttijds in achtgenomen protocol en alles geheel in overeenstemming te brengen met de levenssfeer van mijn kinderen.’ Toch heeft Wilhelmina op een gegeven moment op één punt onverbiddellijk ingegrepen. Voor begin januari was een  enkele zijden jurk, hoe Grieks en soepelvallend ook, te koud. Er moest een laag onder.

Katoenen Flanel

Deze laag is in de loop van de 75 jaar sinds 1937 steeds dikker geworden. Hij is begonnen als ‘een tegenvoering’, daarna werd het ‘een wollen onderjurk’ en nu is het al gesneden koek als op televisie wordt gerept van ‘een jaeger borstrok’.

Het meest aannemelijk is echter vooralsnog het verhaal van de hofnaaister Truus Leeuwerk die in 1977, toen ze 72 was,  in een tijdschriftartikel vertelde in december 1937 drie weken bezig te zijn geweest met het voeren van de bruidsjapon: ‘met goede ouderwetse flanel’.

In de feestroes en zeker van afstand heeft daar destijds natuurlijk geen haan naar gekraaid. Om met D. Hans te spreken: ‘O! wat hunkerde ons volk er naar zijn prinses in dien bruiddtooi te zien!’

En het viel kennelijk  niet tegen, want: ‘Tallooze, tallooze harten sloegen sneller op dit hoogtij van ons volk, dit hoogtij van Oranje’.

Naar aanleiding van het huwelijk hield de voorzitter van de Tweede Kamer prof. mr. P.J.M. Aalberse een toespraak. Hij begon die met: ‘Heeft ons Volk met het Koninklijk Huis getreurd in dagen van droefenis en rouw, thans stijgt Jubel op uit onze harten, nu vreugde is opgebloeid in het Koninklijk Gezin.’

 

Om de sfeer te bepalen: hieronder unieke beelden (met geluid!) van de mode midden jaren dertig:

Copyright Els Smit

Gepubliceerd op 5 maart 2012

Klik op de foto’s voor vergroting en gedetailleerde bronvermelding