Koninklijk Sprookje

Neërmo en Lotthá

Er was eens een prins die zó verliefd was dat hij dacht dat hij gek zou worden. Maar hij werd niet gek. Hij bleef bij de les, want hij telde de dagen. Of liever gezegd: hij telde de nachten. Dat was veel verstandiger, want Neërmo, zo heette de prins, woonde in het Hoge Noorden. Hij woonde zó hoog in het Noorden dat in de winter de zon bijna niet schijnt en het langer nacht dan dag is. In de zomer is het bijna alleen maar dag, maar dat doet er nu niet toe, want deze geschiedenis speelt in de winter.

Op mídwinter zelfs, de 24ste december, als de zon helemaal geen kans krijgt en het in het Hoge Noorden alleen maar nacht is.

Prins Neërmo had bijna niet kunnen wachten tot de zon niet meer te zien zou zijn. Want pas dan zou hij zijn kasteel mogen verlaten om zijn bruid te gaan halen. ‘Op midwinter en geen dag eerder’. Dat was de eis van Neërmo’s aanstaande schoonvader, de koning van een groot naburig rijk. De prins wist dat zijn schoonvader heel precies was in die dingen. Eerder dan midwinter op pad gaan had totaal geen zin. Neërmo zou gewoon worden teruggeblazen naar zijn kasteel. Zó machtig was de vader van zijn bruid.

Er bleef de prins dus niets anders over dan de dagen en vooral de nachten te tellen. Zo had het lot beschikt. Het kon allemaal geen toeval zijn. De prinses op wie Neërmo zo vreselijk verliefd was, heette Lohttá. Ons zegt dat niet zo veel. Maar in het Hoge Noorden weten ze wel beter: De naam Lohttá betekent eigenlijk lot. Prins Neërmo vond dat vanzelfsprekend. Hij zag de wonderschone prinses die al zijn gedachten beheerste als zijn bestemming, zijn lot. Dan wil je wel nachten tellen natuurlijk.

Sporen in de sneeuw

Eindelijk, eindelijk was het midwinter. De prins ging op weg. Alleen en te voet, want ook zo had Lohttá’s machtige vader geboden. Gelukkig was het volle maan en zo kon Neërmo goed de sporen in de sneeuw zien die hij moest volgen. De prins keek voor zich uit en hij zag het uitgestrekte witte landschap dat hij zo goed kende. Hij keek omhoog en hij zag honderden sterren die deze avond net een wedstrijd twinkelen deden. De prins zuchtte. Niet omdat hij opzag tegen zijn lange reis. Maar omdat hij op weg ging naar zijn verre prinses, zijn Lohttá.

Urenlang volgde Neërmo de sporen in de sneeuw, maar vergiste hij zich nu of werden de sporen allengs dunner? ‘Vreemd’, mompelde hij. Want het sneeuwde niet. De prins keek vooruit, naar waar hij dacht het pad heen liep, maar er was geen pad meer. De vlakte was wit en ongerept. ‘Wat zullen we nou …’ zei de prins tegen zichzelf, maar opeens bleef hij als aan de grond genageld staan.

Voor hem lag een groot betoverd meer, omringd door betoverde heuvels met bomen waarvan de rijp glinsterde in het maanlicht. Betoverde bomen dus.

Neërmo knipperde met zijn ogen, maar voordat hij uitgeknipperd was, voelde hij dat er aan zijn mouw werd getrokken. De prins draaide opzij en naast hem stond een magere gestalte in een lang gewaad met een lange dunne baard die zijn arm uitstrekte en met zijn knokige vingers richting meer was. ‘Welkom in midwinterland’, zei hij.

‘Wie bént u?’ vroeg Neërmo, die altijd eerst geïnteresseerd was in mensen en pas daarna in betoverde meren, ‘of bent u een bosgeest?’

‘Zoiets’, zei de gestalte, ‘maar dan in het groen.’

‘Maar u bent niet groen’, zei Neërmo.

‘Dat zeg ik’, zei gestalte, ‘en mijn naam is Vaiirasi.  Dat zeggen ze hier tenminste allemaal tegen me.’

Zigeuners

‘Allemaal?’ vroeg de prins?

‘Het is hier drukker dan je denkt’, zei Vaiiraisi, ‘kijk maar.’ En hij trok een grote besneeuwde tak opzij.

In een kring zat een groep mensen. Zigeuners, dacht Neërmo. Er waren veel zigeuners in zijn land. Ze trokken van de ene plaats naar de andere, zoals zigeuners doen en nu was er dus ook een groep hier. De prins zag hun levendige gezichten, de vrouwen met hun gouden rinkelarmbanden, de kinderen met hun koolzwarte, lachende ogen. Er was kennelijk iets aan de hand. De mannen praatten met luide stem en maakten machtige armgebaren, de vrouwen klapten af en toe in de handen en iedereen keek steeds even naar de sterrenhemel.

‘De zigeuners geloven dat bij de geboorte van ieder kind een nieuwe ster aan het firmament verschijnt,’ zei Vaiiraisi.

‘Maar een paar van de mannen hebben net een superster gezien en nu denken ze dat er een koningszoon is geboren. Ze zouden wel eens gelijk kunnen hebben.’ En zijn lichtblauwe ogen glinsterden als de rijp op de betoverde bomen.

‘Goh’, zei hij de prins. ‘en is dat waar?’

‘Ik denk van wel’, zei Vaiiraisi, ‘en nu je het me vraagt … kijk maar hier.’ En hij trok weer een tak opzij. De sneeuw stoof in het rond.

De prins stond opeens middenin een grote zaal met een verwarmde marmeren vloer.

Honderden edelstenen

‘Veeg je voeten en treedt binnen’, zei Vaiiraisi.

Neërmo veegde zijn voeten en ging de zaal in.

Hij wist niet waar hij het eerst zou kijken. Tegen de wanden van dik donkerrood fluweel hingen de mooiste schilderijen. Op tafels van jade en lapis lazuli stonden de prachtigste beelden van hout en mergel en serpentijn en overal glinsterden in het licht van tientallen kaarsen honderden edelstenen: robijnen zo rood als duivenbloed, smaragden zo groen als de bossen in hoogzomer, saffieren zo blauw als korenbloemen en diamanten twinkelend als de rijp op de betoverde bomen en in lichtjes in de lichtblauwe ogen van Vaiiraisi.

In het midden van de zaal hing een schilderij dat extra verlicht was: een vrouw in een blauwe mantel en twee bonken van kerels, herders zo te zien, keken vol bewondering naar een blote baby voor wie de herders een schapenvelletje hadden meegebracht om op te liggen.

‘Is dit de prins waarover de zigeuners het hadden?’vroeg Neërmo ongelovig.

‘Dit is hem’, zei Vaiiraisi en hij liep eerbiedig achteruit.

‘En is dit zijn moeder, de koningin?’vroeg Neërmo nog ongeloviger, wijzend naar Maria.

‘Dit is ze’, zei Vaiiraisi, ‘ze is de gezegende onder de vrouwen.’

‘Hoe heet ze dan?’ vroeg Neërmo, die in zijn hoofd eens even zijn adressenboekje doorbladerde.

‘Ze heet Maria’, zei Vaiiraisi, ‘of ook wel Isis of Ishtar of Aphrodite, ze heeft veel namen en veel bezigheden. Soms is ze morgenster, soms avondster, de zeelieden noemen haar dan Venus en ze weten dat ze op haar blind kunnen varen.’

Abacadabra

‘Maar dan is ze toch zeker een koningin van een andere wereld’, zei Neërmo.

Vaiiraisi keek nadenkend voor zich uit. ‘Ze is van daar en hier.’

Ineens kreeg Neërmo een beetje genoeg van al die abacadabra. Opgewonden zigeuners, een vrouw in een blauwe mantel die koningin en ster  was en van daar en hier …. hij verlangde meer dan ooit naar zijn mooie Lohttá, die alleen maar van hier was én van hem.

‘Eh’, zei hij, ‘het is allemaal reuze interessant, maar ik moet nu echt verder. Ik heb dringende bezigheden elders, dus al ik u niet ontrief ….’

Dat was echter geheel tegen het verkeerde knokige been van Vaiiraisa.

Zijn gezicht werd als een donderwolk, zijn ogen waren niet meer lichtblauw, maar pikzwart. ‘Hoe dúrf je’, tierde hij, ‘de belangrijkste deugd van een prins is nederigheid, ben je dat vergeten? Wacht, wacht …. ‘

En hij sleurde prins Neërmo aan zijn mouwen mee naar buiten, de kou en de sneeuw in. ‘Kijk, kijk dan’, tierde hij, terwijl hij voor de derde keer een besneeuwde tak opzij trok.

Beduusd staarde Neërmo naar de horizon. Alle sneeuw was verdwenen. Voor de prins strekte zich een kaal heuvellandschap  uit. Maar in de verte zag hij een paar glinsterende stipjes die echter snel naderbij kwamen. De stipjes werden vlekken en de vlekken werden mensen van vlees en bloed, die zich verdrongen om drie mannen die er met kop en schouders bovenuit staken, omdat ze op paarden zaten. ‘Poeh’, zei prins Neërmo.

Dat valt te begrijpen. De paarden waren opgetuigd met het fijnste marokkijnleer met belletjes van het zuiverste zilver. De drie mannen droegen kleren van het kostbaarste brokaat en de fijnste zijde in. Twee van hen droegen een hoed met zeldzame edelstenen, een van hen droeg zelfs een echte kroon,

‘Het zijn koningen,’ prevelde Neérmo, ‘maar ik ken ze niet.’

‘Zo zie je maar’, zei Vaiiraisa, ‘dat er koningen zijn die zelfs jij niet kent.’

‘Waarom hebben ze zo’n haast?’ vroeg Neërmo verder.

‘Ze hebben de ster van de zigeuners gezien’, antwoordde Vaiiraisa. ‘Ze zijn op weg naar het koningskind. Ze gaan zogezegd op staatsbezoek. Daarom hebben ze ook geschenken bij zich.’

‘Waar dan?’vroeg Neërmo.

‘Kijken!’, beval Vaiiraisa.

Myrrhe, wierook ende goud

Neërmo tuurde en tuurde en plots zag hij dat alle drie de koningen een pakje bij zich hadden waarop iets geschreven stond. ‘M-Y-R-R-H-E’, spelde hij. En daarna ‘W-I-E-R-O-O-K’ en tenslotte ‘G-O-U-D’. ‘Het zijn geschenken voor een koning’, stamelde hij.

‘Geloof je het nu?’ vroeg Vaiiraisa.

‘Ik geloof het’, zei Neërmo.

‘Dan mag je gaan’, zei Vaiiraisa.

‘Echt waar?’ vroeg Neërmo argwanend.

Vaiiraisa knikte. ‘Je hebt je lesje geleerd. Ik denk niet dat je het ooit zult vergeten. Je zal een goede koning worden.’

Neërmo’s knieën knikten bij zijn eerste stappen. ‘Weet je’, begon hij en hij draaide zich om. Maar Vaiiraisa was weg. Sterker nog: het hele betoverde meer was verdwenen met de betoverde heuvels en de betoverde bomen.

Maar voor hem, aan het einde van een lange laan doemde opeens een groot, sierlijk kasteel op met veel torentjes en trappetjes. En van een van die trappetjes daalde in grote haast een frêle figuurtje af in ruisende rokken en met prachtig lang haar. ‘Neërmo’, riep ze, ‘Neërmo’.

En Neérmo riep: ‘Lottha’. En ze snelden elkaar met uitgestrekte armen tegemoet.

‘Ik ben zo ongerust geweest’, snikte Lottha, ‘je bleef zo lang weg en er kwamen allemaal mensen: zigeuners en herders en koningen. Maar pappa wilde ze niet wegblazen. En ze bleven  maar vertellen over een ster en over een koninklijke liefdesbaby en ik kon het niet volgen en ik wou jij bij me was. Maar nu ben je er … ’

Ze keek hem aan en haar ogen straalden. Neërmo pakte haar nog steviger vast en keek toen over haar hoofd naar het kasteel. Net toen hij dat deed,begon er  een grote ster te twinkelen met een oogverblindend witblauw licht. Neërmo kneep zijn ogen dicht. Er was geen twijfel aan. Dit was de ster van de zigeuners.

‘Dat van die ster’, zei Lohttá, ‘dat is toch een heel oud verhaal.’

‘Ja’, zei Neërmo, ‘het is van toen. Maar het is ook van nu.’

En hij moest een beetje om zichzelf lachen.

 

 

 

 

 

‘Is dit Alventaal?’ vragen mensen zich soms af als ze de songs van Loituma voor het eerst horen. Nee, het is geen Alfs, het is Fins, wat in onze oren natuurlijk min of meer het zelfde is. Hier is Loituma’s prachtige liefdeslied ‘Kun Mun Kultani Tulisi’. Het enige begeleidingsinstrument is de kantele, een veelsnarig, oeroud, tokkelinstrument uit het Hoge Noorden:

&;

 

 

 

 

 

 

Copyright Els Smit

Gepubliceerd op 17 december 2012