Marianne Jongkind, koninklijke hoedenmaakster

Tijden hebben weertijden, ook met hoeden

Marianne Jongkind, foto Marco Bakker

Show Mart Visser 2012, hoed van M. Jongkind

Marianne Jongkind, foto Marco Bakker

Marianne Jongkind is een perfectionist en rust dus nooit voordat het allemaal precies zit zoals ze het in haar hoofd heeft. Want tekeningen van haar hoeden maakt ze vooraf niet. “Soms als ik niet kan slapen, maak ik eens een krabbeltje, maar zodra het kan, gooi ik het papiertje weg. Je hebt couturiers die prachtige schetsen kunnen maken. Frank Govers was zo iemand; die kon met een paar lijnen de essentie van zijn ontwerpen neerzetten.” Aan hem vroeg ze in 1989 de hoed te tekenen, waarmee ze haar naam in brede kring vestigde en die ook haar logo zou worden: de ‘harmonica-baret’.

Erg handig

“Het waren aan elkaar gestikte opgestapelde ringen, die je als een harmonica uit kon trekken. Als je hem opzette, kon je hem dus allerlei vormen geven. En je hem plat neerleggen en zo in je tas stoppen, erg handig. Ik had hem eigenlijk voor eigen gebruik ontworpen. In die tijd begonnen couturiers te vragen of ik hoeden voor hun shows wilde maken. Ik had geen auto, ging overal op de fiets naar toe, maar ik wilde natuurlijk toch leuk voor de dag komen.

Harmonica-baret

Die hoed was de oplossing. Maar andere mensen zagen er kennelijk ook iets in. Eerst maakte ik ze in fluweel en denim, later ook in leer en suede. Ik verkoop ze tot op de dag van vandaag en ik draag ze zelf ook nog.”

Nertshoed met twist

Marianne Jongkinds carrière begon in 1961, toen ze 16 jaar was. Ze volgde een gedegen praktijkopleiding van vijf jaar bij een aantal van de vele hoedenateliers die Amsterdam rijk was. Maar halverwege de jaren zestig kwam de klad in de hoed. “Het kleedgedrag veranderde. Meer mensen konden een auto kopen en een hoed in de auto is lastig. Maar ook de haarmode veranderde. Je kreeg van die getoupeerde kapsels en die gingen ook al niet samen met een hoed. En het generatieverschil werd meer uitgesproken. Een hoed stond voor de gevestigde orde en daar zetten de jongeren zich tegen af. Toch droeg zelfs ook die jonge generatie af en toe een hoed: astronautenmutsjes van imitatiebont, wat baretten en de flaphoeden van Mary Quant, maar dat waren allemaal fabriekshoeden. De enige hoeden die nog wel met de hand werden gemaakt waren bonthoeden. Ook de Soestdijkprinsessen hebben die gedragen. Beatrix bestelde er een aantal bij Max Heijmans. Marianne Jongkind maakte de nertshoed op de foto rechts in 1965. De twist aan de voorkant geeft de hoed iets exclusiefs.

Want linksom of rechtsom Marianne Jongkind móest hoeden maken. Daarom begon ze doodleuk tegen de stroom in in 1967 haar eigen hoedenatelier.

Tegenbeweging

MJ-hoed bij ensemble Kolk

Hoed voor Frans Molenaar 2002

“Maar rond 1985 begon een tegenbeweging doordat jonge ontwerpers op de modeacademies de hoed herontdekten. Zij kwamen uit een hoedloze wereld en keken verbaasd en geïnteresseerd naar dat verwaarloosde fenomeen. Toen werd ik gevraagd om les te gaan geven. Ik beheerste dat in hun ogen oude vak nog én ik was een van de weinigen die ermee was doorgegaan.”

In die jaren zou Marianne Jongkind hoeden gaan maken voor een hele nieuwe generatie couturiers: Als eerste voor Frank Govers, later voor Edgar Vos, Frans Molenaar, Frans Hoogendoorn en Mart Visser. Edgar Vos is overleden, maar voor de drie andere couturiers werkt ze nog steeds. De vierkante hoed rechts maakte ze in 2002 in opdracht van Frans Molenaar. “Een hoed van witte cinamay.  Net als ik houdt Molenaar van strakke lijnen, vierkanten en cirkels. De vorm van deze hoed kwam terug in de stof van katoenen vierkantjes.”

Prinses Carolina, 2005

Via Molenaar, Hoogendoorn en later Ronald Kolk kreeg ze ook opdrachten voor koninklijke hoeden, zoals de Prinsjesdaghoed voor prinses Laurentien in 2006 (foto links) en prinses Irene.

Een paarse sinamay hoed leende prinses Carolina in 2005 zelfs van haar moeder (foto rechts).

Ascot

Carousselhoed

Ook bouwde Marianne Jongkind een eigen klantenkring op. Soms kreeg ze de gelegenheid om zeer bijzondere hoeden te maken.  Zoals de Carousselhoed uit 1994 (foto links).

“Ik heb hem voor een klant in België gemaakt. Ik had in Zwitserland net een cursus stro-stikken geleerd. Deze techniek maakt het mogelijk hoeden in heel veel vormen te maken. Deze is van oranje lakstro, de houten paardjes heb ik rond Kerst in een warenhuis in Parijs gekocht. Een vriendin van me heeft hem naar Ascot gedragen en is er toen mee op de BBC geweest.”

Haar stijl heeft zich uiteraard steeds verder ontwikkeld. ” Mijn ontwerpen zijn hoe langer hoe strakker van lijn geworden. De bollen zijn vaak los, er zit meestal ergens een punt. Geen versieringen, geen bloemen. ” Een goed voorbeeld hiervan is de lichtgroene hoed op de foto rechtonder. “Deze is van sinamay en is afgewerkt met lams-nappaleer. Echt míjn hoed.”

Inmiddels heeft ze in het verlengde van haar werk heel wat exposities met eigen creaties ingericht. En een aantal musea heeft hoeden van haar aangekocht.

Strakke lijnen in hoed met punt

Als een prinsesje …

De laatse jaren is de vraag naar hoeden weer gestegen, al zien we er nog steeds niet veel in het straatbeeld.

“Al die koninklijke huwelijken die allemaal rechtstreeks op de televisie zijn geweest, hebben een grote invloed gehad. Heel veel mensen willen nu ook als een prinsesje trouwen en dat geldt niet alleen voor de bruid. Vaak wil het hele vrouwelijke gezelschap een hoed.”

 

Meer van en over Marianne Jongkind op http://www.mariannejongkind.nl/

 

Copyright Els Smit

Gepubliceerd op 12 juni 2012

Klik op de foto’s voor vergroting en gedetailleerde bronvermelding