Oranje en de Mode -2-

‘Een zeer luchtig, elegant baltoiletje’

Parijs 1897

Het was rond 1900. En Parijs was het bruisende centrum van de wereld. Koningen en prinsen, zoals koning Willem III en zijn oudste zoon Willem vonden er trijntje en wijntje. De koninginnen en prinsessen kochten er hun kleding. Ook koningin Emma en  Wilhelmina, die vanaf 1898 koningin was van een wereldrijk: Nederland, Nederlands Indië (het latere Indonesië), Suriname en de Nederlandse Antillen.

Worth-japon voor koningin Alexandrine van Denemarken, 1890's

‘Voor glans, pracht en bekoorlijkheid is en zal Parijs zijn: het enig zaligmakende bedevaartsoord’, ronkte het bestuur van de prestigieuze Wereld-tentoonstelling die in 1900 in Parijs werd gehouden.

Eén van de grootste attracties vormde de Parijse couture. Die was in de decennia ervoor tot grote hoogte gestegen door het genie en de werklust van Charles Frederick Worth (1825-1895). Hij was de eerste kledingontwerper die zijn creaties signeerde. Ook vond hij de modeshow uit. Eenmaal per jaar toonde hij zo zijn klanten wat er nieuw was in de (eigenlijk zíjn) mode. En reken er maar op dat Worth zorgde dat er ieder jaar iets nieuws was.

Hij was wereldberoemd. Praktisch alle koninginnen en prinsessen hadden een Worth in de kast hangen.

Femina Journal, creaties van John Redfern,1902

Worth had als een magneet op andere getalenteerde modeontwerpers gewerkt, zoals Doucet en Decroll. Verenigd in een soort mode-Kamer van Koophandel bewaakten zij ‘de kwaliteit van de hoge kleermakerskunst’.

Redfern

Een van de meest succesvolle nieuwe ontwerpers was John Redfern, net als Worth Engelsman van geboorte. Zijn Parijse salon was gevestigd in de Rue de Rivoli. Hij was de favoriete ontwerper van de Britse prinses Alexandra (1844-1925), vrouw van  (de latere) Edward VII. Maar Redfern werkte ook voor het Russische hof, hetgeen niet onlogisch is. De Russsiche tsarina Maria Feodorovna was een zuster van Alexandra. Redfern had zelfs een filiaal in Sint Petersburg. Hij had trouwens ook vestigingen in Londen en New York. De New York Times van 28 maart 1892 noemde hem ‘de enige echte modekoning in de Verenigde Staten’.

Pal naast Redfern, op nummer 244 in de Rue de Rivoli, was een minder aan de weg timmerend, maar daarom niet te verwaarlozen modehuis gevestigd: Nicaud, de favoriet van moeder en dochter Emma en Wilhelmina der Nederlanden.

Misschien was het Nicaud’s discretie die op prijs werd gesteld. In ieder geval beschikte het huis van oudsher over alle kennis omtrent de do’s and don’ts van de officiële hofmode.

Lodewijk XIV (1638-1715)

Mme de Montespan, 1694, in de oer-hofmode

Rond 1900 waren de japonnen van de dames aan de hoven, van Groot-Brittannië tot aan Rusland, dus ook in Nederland nog steeds onderworpen aan de wetten die rond 1660 waren opgesteld door de Franse koning Lodewijk XIV (de Zonnekoning) voor hem en de zijnen.

Een afbeelding van ‘s konings maîtresse Madame de Montespan (rechts) toont wat de koning wat betreft de hofmode, in Versailles, in gedachten had.

Opvallend is hoe trouw de koningshuizen sindsdien aan die lijn waren gebleven. En Nicaud kende nog steeds de fijne kneepjes van dat oude vak.

Het huis was succesvol. Behalve op de Rue de Rivoli had het een vestiging op de Rue Cambon nr 2. Op de labels van de meeste koninklijke leveringen staat dit laatste adres.

Witte linten

Nicaud leverde in maart 1896 aan de Nederlandse prinses Wilhelmina zijn eerste creatie: een zachtgroen satijnen avondjurk, over de rok afgezet met witte linten en daartussen gele kant.

Wilhelmina in baljurk van Nicaud, 1897

Er volgden dat jaar meer japonnen. En op het nieuwsjaarsbal in januari 1897 droeg de 17-jarige Wilhelmina een japon van ijle stof met ingeweven margrieten met gouden hartjes. Ze droeg er ‘al m’n briljanten’ bij, zo schreef ze aan haar oude gouvernante miss Saxton Winter. En ja, het moet haar zelfvertrouwen allemaal een opkikker hebben gegeven. ‘Toch vond ik deze tijd wel prettig, ik was nu helemaal een groot mens.’

Veel mensen moeten eind 19de eeuw en daarna hebben gedacht dat Wilhelmina deze jurk ook bij haar inhuldiging heeft gedragen. Maar het waren andere tijden. Massamedia waren er nauwelijks, de fotografie stond in de kinderschoenen. Toch zouden er snel na de inhuldiging in 1898 Amsterdam munten en portretten van de nieuwe koningin op de markt moeten komen. Daarom poseerde Wilhelmina met ‘mijn Parijse japon’ met daaroverheen de koningsmantel in 1897 voor de officiële portretten, geschilderd door Thérèse Schwartze aan de hand van zwart-wit foto’s (afbeelding links)

Japon van Courbay-Wenzel voor tsarina Maria Feodorovna

Wilhelmina’s echte inhuldigingsjapon was een zeer traditionele hofjapon en ook gemaakt door Nicaud.

De ‘Parijse’ japon van het nieuwjaarsbal was weliswaar een echte prinsessenjurk, maar Nicaud had zich wel modieuze frivoliteiten mogen veroorloven. Net zoals bij de andere creaties voor de naar het echte leven hongerende prinses. Hofdame freule Van de Poll noteerde onder meer: ‘Een zeer luchtig, elegant baltoiletje geborduurd met roze rozenknopjes’.

In alle nieuwe baljurken voor de prinses waren de nieuwste modesnufjes terug te vinden:  plissé, volantes en ijle stoffen in zachte tinten. En onveranderlijk de letterlijk adembenemende corsetten. No wonder. Zeker sinds 1887 is melding gemaakt van modetijdschriften in de koninklijke lectuurmand. Maar Emma wist al voor haar huwelijk waar Abraham de mosterd haalde als het om de beste en mooiste kleding ging.

Tsarina

Dat was bij de Parijse firma Courbay-Wenzel, die veel societybruiden kleedde en aan onder anderen de Russiche tsarina Maria Feodorovna leverde. Emma bestelde er haar trouwjurk (1879), met queue de Paris.  En ook  de bruidsjurk van haar zuster Helena die in 1882 met de jongste zoon van de Britse koningin Victoria trouwde. Die jurk was trouwens een geschenk van Willem III en Emma aan de bruid.

Wilhelmina en Hendrik 1901

Courbay-Wenzel was voortgekomen uit het huis Fauvet. En het ging over in het huis … Nicaud.

Wilhelmina bestelde daar in 1901 háár trouwjurk, weer een creatie volgens het stramien van de hofjapon, gemaakt van zilverlamé, een stof  die volgens de oude voorschriften was voorbehouden aan personen van koninklijken bloede.

Maar ze had bij Nicaud zoals gewoonlijk ook modieuze japonnen besteld. ‘Geraffineerde elegantie’ noemt Elisabeth van Braam in het boek ‘Koninklijk Gekleed’ Wilhelmina’s kleding uit die paar gelukkige jaren van verloving en huwelijk.

Uiteindelijk maakte Nicaud een derde van de japonnen in haar uitzet.

Wilhelmina bleef Nicaud bijna 20 jaar trouw. Toen was de speelsigheid eraf, vooral door ‘De Grote Oorlog’ van 1914-1918. Ze kocht nog wel in Parijs, maar ze koos meer en meer voor Nederlandse modehuizen, hoewel ze altijd wilde dat de kleding volgens de laatste Parijse mode was gemaakt.

Maar ook Parijs was ruw wakkergeschud.

In 1900 kon het bestuur van de Wereldtentoonstelling in Parijs nog schalks schrijven: ‘Regerende vorstinnen, hertoginnen, gravinnen, adel en geld-aristocratie, kunstenaars, de jeunesse dorée én welbekende, zeer gevierde demi-mondaines (lees luxe prostituées) nemen hier vredig naast en door elkaar plaats. C’est la vie.’

Zo wás het leven en het werd nooit meer zoals het was.

 

Daarom zijn onderstaande (film)beelden pure nostalgie naar die Belle Époque (geluid aan!)

 

 

 

Copyright Els Smit

Gepubliceerd 10 november 2011

Literatuur: O.m. ‘Koninklijk gekleed, Wilhelmina 1880-1862’, Paleis Museum Het Loo, uitg. Waanders Uitgevers, Zwolle 1998

Klik op alle foto’s voor vergroting en gedetailleerde bronbeschrijving