Theresia Vreugdenhil 1929-2012

Theresia temidden van couturiers Frans Hoogendoorn (links) en Frans Molenaar bij de presentatie van mijn boek in het Amstel Hotel in 2008. Foto en copyright Peter den Boer

Beatrix 2005, tailleur Theresia Vreugdenhil, hoed van Harry Scheltens

De woensdag in Amsterdam overleden couturier Theresia Vreugdenhil-Werdler is in hoge mate medebepalend geweest voor het Beatrix-silhouet dat we allemaal zo goed kennen en waarmee ze ook de geschiedenis in zal gaan. Mevrouw Vreugdenhil benadrukte zelf altijd graag dat het een kwestie van teamwork was. ‘Je doet het samen’.  En dan doelde ze uiteraard op de koningin, maar ook op de hoedenontwerpers, onder wie Harry Scheltens (1927-2006), Suzanne Moulijn en Emy Bloemheuvel. Mevrouw Vreugdenhil stopte in 2007, 78 jaar oud met werken. De gezichtsbepalende hoedenontwerper  Harry Scheltens was in 2006 overleden. De huidige ontwerpers, onder wie Sheila de Vries, bestendigen sindsdien, ieder op zijn manier, het sterke, gevestigde beeld.

Aan elkaar gewaagd

De decennia van samenwerking tussen koningin en mevrouw Vreugdenhil kenmerkten zich door een goede sfeer en een groot wederzijds vertrouwen. En door een hoge graad van perfectionisme. Wat dat betreft waren ze aan elkaar gewaagd.

Mevrouw Vreugdenhil: “Soms hadden we een prachtig ontwerp, een goed patroon en dan kwam toch nog de vraag of het nog net niet iets kon worden veranderd. Ze dacht: ’Mevrouw Theresia lost het wel op.’ Maar je kunt niet klakkeloos in een patroon ingrijpen. Ik heb daar soms slapeloze nachten van gehad. Ik heb haar dat altijd wel verteld. Later, als het probleem was opgelost, vroeg ze steevast: ‘En, hoe heeft u nu geslapen’? Ze hield daar echt rekening mee.”

Plakboek Theresia, foto's en staaltjes van de stoffen

Voordat couturier en koningen elkaar in 1965 leerden kennen, had mevrouw Vreugdenhil al tien jaar een couturesalon (‘Couture Theresia’) in Amsterdam. Het contact met (toen nog prinses) Beatrix ontstond via Gillia Frowein, geboren gravin Wolff Metternich, klant van Theresia en een gemeenschappelijke vriendin van Beatrix en Juliana.

2005, een van de 27 Prinsjedagjaponnen die Theresia voor koningin Beatrix maakte

Het eerste ensemble dat Mevrouw Theresia, zoals Beatrix haar couturier steevast noemde, voor de prinses maakte was een Chanelpakje van  lichtblauwe gemarmerde wollen tweed, dat Beatrix bij haar ondertrouw met prins Claus droeg 17 februari 1966). Er zouden duizenden kledingstukken volgen. Aan het eind van haar carrière kon mevrouw Vreugdenhil zelfs bij benadering niet meer zeggen hoeveel. ‘We hebben zo veel gemaakt.’

Aanvankelijk hield ze een plakboek bij waarin ze bij krantenfoto’s staaltjes van de stoffen plakte. (foto linksboven) Helaas is ze daar na een paar jaar mee opgehouden. ‘Toen was het gewoon geworden.’

Voor mijn boek ‘Ontwerpers van Oranje’ (en ook daarna) heb ik vele gesprekken met mevrouw Vreugdenhil gevoerd. Altijd was daar die ontwapenende nuchterheid, die er meestal op neerkwam dat er toch wel heel veel ‘flauwekul’ in de wereld is en vooral veel dikdoenerij. Ze heeft daar nooit aan mee willen doen. ‘Mijn wérk moest goed zijn,’ zei ze. ‘ Dat was het enige.’

Discretie

Rouveen 2005: koningin Beatrix in deux-pièces van Couture Theresia, met mevrouw J. Poolman-Petter

Deze houding zal hogelijk zijn gewaardeerd door koningin Beatrix, maar later zou Theresia toch een beetje het slachtoffer worden van haar eigen discretie. Toen ze in 2008 – en vrijer was om te praten – graag wilde meewerken aan een biografie, kende vrijwel niemand haar. En ‘dus’ zagen uitgevers er geen brood in. Uiteindelijk is er toch een boek uitgekomen: ‘Ontwerpers van Oranje’, waaraan zowaar  vrijwel alle nog levende ontwerpers van de Nederlandse koninklijke familie wilden meedoen. Maar  Theresia speelde er een mooie hoofdrol in. Eindelijk.

Ik  heb haar wel eens gevraagd of het niet moeilijk was om al die jaren te zwijgen over haar werk óf , zoals ze wel eens in een incidenteel interview in De Telegraaf deed, met veel woorden eigenlijk helemaal niets belangwekkends zeggen. Haar antwoord: ‘Ik had het niet nodig, al die publiciteit.’

Slowakije 2007, geliefde avondjurk

Ze hád inderdaad een grote klantenkring bestaande uit ministersvrouwen en de vrouwen van grote zakenmannen, zoals de directeur van de  DAF-fabrieken. Ook alle dames van de Brenninkmeijer-dynastie (C&A) kochten kleding bij haar.  Maar toch moet ze af en toe hebben geknarsetand bij de zoveelste laatdunkende opmerking in het zoveelste interview van collega-couturiers, met name de flamboyante ontwerper Frank Govers. De kritiek kwam steeds weer neer op dat het zo weinig modieus was wat zij voor de koningin maakte.

De Beatrixpop in het atelier

‘Maar het ging helemaal niet om mode’, zei ze tegen me. ‘Het ging erom haar zo goed mogelijk te begeleiden in haar functie.’

Want koninginnen doen maar weinig aan mode. Daar zijn prinsessen voor en desnoods echtgenoten van het staatshoofd. Een koningin staat voor continuïteit en soliditeit en nog een paar saaie dingen waar in de regel de vonken niet van afspringen.

Schouders

‘Bovendien,’ zo zei Theresia eens, ‘hebben we van tijd tot tijd wél modieuze elementen in de kleding opgenomen.’ Dat was geen verdediging van haar. Het was verduidelijking. ‘Die brede schouders waren in de jaren 80 zeer modieus. En de heupstukken op de avondjurken zag je in die tijd ook heel vaak.’

2004 Mantels tot in de perfectie gemaakt

Alleen waar in de rest van de wereld de mode weer snel veranderde, werden  bij Beatrix de brede schouders en de avondlijke heupstukken  bouwsteentjes van het Beatrix-silhouet. Mevrouw Vreugdenhil: ‘Wat we leuk vonden, dat hielden we erbij en wat we niet leuk vonden, dat deden we weg.’

Maar altijd tot in het perfecte gemaakt. En niet zoals vaak is verondersteld op een soort tweede romp die de koningin onder al haar kleding zou dragen. Mevrouw Vreugdenhil moest altijd een beetje giechelen als ze dat soort dingen hoorde. ‘Nee hoor. Coupe is alles.’

Ze was een van de laatste der Mohicanen op couturegebied. Ze beheerste het vak tot in de puntjes. In haar atelier, met 25 personeelsleden,  stond de zogenoemde ‘Beatrixpop’. Daaraan ‘prutste’ ze net zo lang totdat de kleding viel zoals zij dat wilde.

Waarschijnlijk hebben Theresia’s prachtige mantels, vaak in effen wollen double face, de grootste bijdrage geleverd aan het Beatrix-silhouet. Wel, en Theresia was de eerste om dat te benadrukken, met een grote inbreng van de hoedenmakers Harry Scheltens en Suzanne Moulijn.

En misschien was er, onder de oppervlakte, bij het werken aan dat beeld al die jaren toch een rode draad. Die had te maken met hoe mevrouw Vreugdenhil al haar klanten tegemoet trad: uitvinden wat er in hun koppie omging.  Koningin Beatrix vormde daarop geen uitzondering. Over haar zei ze:  ‘Ik heb altijd vermoed dat de koningin in lijnen denkt. Daarom beeldhouwt ze ook zo goed. Als er al een geheim is, dan is het dat.’

 

 

 

Copyright Els Smit

Gepubliceerd 14 juli 2012