Where have all the feathers gone?

Hoed met hele vogel, circa 1895

Menig dienstmeisje downstairs droomde anno 1900 van een hoed met een veer. De dochter des huizes upstairs zeurde mogelijk Mama’s hoofd suf om een hoed met een héle vogel. Want die stond Leintje van Haeften tot Wassenaar immers ook zo snoezelig. En het hoefde toch geen héle uil te zijn zoals de douarière van Boetzelaer had, maar gewoon een klein vogeltje …

Kolibries, gravure 1904

Kolibries, de kleinste vogeltjes ter wereld werden met  honderdduizenden tegelijk aangeleverd vanuit Brazilië en ter verwerking aangeboden aan de Europese plumassiers, kleine bedrijven die zich bezighielden met het prepareren, verven en verwerken van veren. Kolibries zijn er nog steeds. Andere vogels, waaronder een aantal duivenrassen, overleefden de voor de vogelstand uiteraard minder Belle Époque helemaal niet.

Het was zo’n andere wereld. En ook zo overzichtelijk: de mens was de baas, d.w.z. de blanke mens. En wie beweerde dat het iets anders lag, zoals Charles Darwin, kon nog hartelijk worden uitgelachen. Het was überhaupt een vrolijke tijd. De welvaart was toegenomen, vooral voor de middenklassen. Het geld mocht rollen en het liefst goed zichtbaar. Niet langer bepaalde de elite de mode. Sterker nog: die moest alle zeilen bijzetten om haar positie te handhaven. Aan de hoven gingen er dus nog een schepje bovenop.

Handel

Gravin Esterházy met 'pleureuse', 1911

Koningin Victoria (1837-1901), koningin van Groot-Brittannië, keizerin van India,  zei het maar meteen zoals het lag: ze had een hekel aan kleine veertjes. Of er aan haar hof daarom voortaan grote veren gedragen konden worden. Dat kon en wonderwel mede dankzij de struisvogelboeren in Zuid-Afrika. Het Britse rijk was in die jaren in de Tweede Boerenoorlog  verwikkeld, maar zoals vaker ging de handel vrij onbekommerd door. Rond 1860 waren in Zuid-Afrika de eerste struisvogelfarms ontstaan. De veren waren een belangrijk bijprodukt: zo volumineus en toch zo licht in het dragen. Ideaal voor bij het vrouwelijke silhouet: de S-vorm met z’n geprononceerde boezem en billen en een wespentaille, zeg maar een naar voren gekantelde zandloper.

Op zich waren pluimen op een hoed geen nieuw modeverschijnsel. Aan het hof van de Franse koning Lodewijk XVI en koningin Marie-Antoinette werden (struis)veren al in enorme pruiken gedragen. En in de biedermeiermode van net na Napoleon waren veren, van onder meer paradijsvogels, niet onbekend. Maar de Belle Epoque zou het patent op het massaverbruik verwerven, ook omdat per dag diverse keren van kleding werd gewisseld. Bij iedere outfit hoorde ook weer een andere hoed, bij voorkeur met veren die immers zo delicaat en tegelijkertijd zo indrukwekkend waren. Vandaar dat ‘pleureuses’ zo gewild waren: afhangende struisveren, gemaakt door de schacht van de veer in drieën te delen en de delen in de lengte aan elkaar te knopen (foto links). Soms werden de veren extra gekruld met een heet gemaakt tangetje.

Toch hield niet iedereen in koninklijke kringen het ‘Ich habe es nicht gewusst’ als het om de vogelslachtingen ging blijmoedig vol. Koningin Victoria bleek uiteindelijk niet ongevoelig voor de berichten die vanuit de Verenigde Staten werden verstuurd over de wreedheid jegens de vogels en de omvang van de jacht. En koningin Alexandra, Victoria’s schoondochter liet in 1906 weten het gebruik van veren voor versiering niet gepast te vinden, vooral die van de osprey (visarend) en de zilverreiger.

Albatros

Het was een mooi gebaar, maar het hielp niet echt. De verleiding was te groot. Wel werden allengs de hele vogels op de hoeden vervangen door imitatie-exemplaren, gemaakt van (onder meer) gaas, maar dan natuurlijk weer wel bekleed met echte veren. En vogelonderdelen zonder oogjes, zoals vleugels werden nog steeds op grote schaal gebruikt, bijvoorbeeld om er binnenranden van hoeden van te maken. Hiervoor bleken zeemeeuwen zeer geschikt. En albatrossen. In 1909 werd op een klein broedeiland bij Hawaï de hele kolonie van 300.000 albatrossen afgemaakt.

Aigrette uit Iran

Emma, Juliana en Wilhelmina rond 1910: op Emma's hoed reigerveertjes, op Wilhelmina's hoed struisveren

Albatros was prijzig, maar het was allemaal niets vergeleken met paradijs of paradis, de veren van de paradijsvogel van Nieuw-Guinea en egret of zilverreiger, vooral die van het broedseizoen. Dit soort veren was daarom een statussymbool. Er was het establishment, inclusief royalty, veel aan gelegen om zich ermee te vertonen. De dames droegen de veren meestal als toefje op het hoofd net zoals de zilverreiger zelf ook doet.  Dat heette een ‘aigrette’. De veertjes werden bijeen gehouden door een soort klem die met de jaren uitgroeide tot een zelfstandig juweel, dat ook aigrette werd genoemd. Zo had volgens de Leeuwarder Courant van 10 januari 1879 (drie dagen na het huwelijk van koning Willem III en Emma van Waldeck-Pyrmont) de bruid van het groothertogelijk echtpaar van Saksen-Weimar-Eisenach ‘een briljanten aigrette’ gekregen. Het juweel moet nog in het bezit van de familie van Oranje-Nassau zijn. Op de foto rechts, uit 1910, draagt koningin Emma een toef zwart geverfde reigerveren. Op de hoed van koningin Wilhelmina zijn haar geliefde struisveren verwerkt en lichte reigerveertjes. De éénjarige prinses Juliana draagt hier geen hoed met veren, maar ze had er al wel. Ze zou als regerend vorstin, zij het in beperkte mate, hoeden met veren blijven dragen, vooral bij speciale gelegenheden, zoals Prinsjesdag. Tijdens de rijtoer door Amsterdam na haar inhuldiging als koningin in 1948 droeg ze een hoed met ‘vallende en staande’ paradijsveren.

Kip en haan

Haan, kinderboerderij Bornem

Prinses Astrid 2010, hoed met hanenveren

Uiteindelijk zou de veren-gekte luwen. Dankzij wetten in de Verenigde Staten en door toedoen van de Vogelbescherming (Groot-Brittannië 1889, Nederland 1899), maar vooral door de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) die op hardhandige manier duidelijk maakte dat het uit was met de pret. Er wordt wel gezegd dat de twintigste eeuw pas in 1918 is begonnen. Als mode de spiegel van de tijd is, klopt dat. De garçonnes van de jaren 20 waren met hun rechte jurken en cloches (pothoeden) het tegendeel van de dames van weleer.

Copyright Els Smit

Gepubliceerd 28 februari 2011

Klik op alle foto’s voor vergroting en gedetailleerde bronvermelding